Sla navigatie over
Vlaanderen.be - uw wegwijzer binnen de Vlaamse overheid
startpagina | contact | sitemap integrale jeugdhulp  | zoek
 
 

 

 

 

 



FAQ's instemming

 

Een minderjarige verblijft al enkele jaren in een pleeggezin. Er wordt geoordeeld dat de situatie niet meer verontrustend is bij evaluatie. Dat leidt tot het niet akkoord gaan van de ouders. Zo dreigt het kind stabiliteit en veiligheid te verliezen. Kan dit? Zou het mogelijk zijn om een voorwaarde te stellen aan vrijwilligheid? Bv. hulpverlening kan verder in vrijwilligheid mits akkoord met huidige hulpverlening?

 

 

Vrijwillige jeugdhulpverlening wordt volgens art. 2 decreet integrale jeugdhulp gedefinieerd als “rechtstreeks of niet rechtstreeks toegankelijke jeugdhulpverlening die berust op een vrijwillige medewerking van de betrokken partijen en die geen gerechtelijke jeugdhulpverlening is”.

Enkel in kader van verontrusting kunnen in het kader van buitengerechtelijke jeugdhulpverlening enkele stappen gezet worden zonder instemming van de betrokken partijen  (bv. de ouders). Indien de verontrusting later wegvalt, zal de instemming van de ouders wel weer nodig zijn om jeugdhulpverlening mogelijk te maken.

Wanneer er dus geen sprake (meer) is van verontrusting en ouders niet akkoord gaan met de plaatsing van hun minderjarige kind in een pleeggezin, zal het kind terug naar huis moeten keren.  Tenzij er door het terugkeren naar huis, terug sprake zou zijn van verontrusting…

Terug naar vragenlijst

 

 

In onze thuisbegeleidingsdienst worden we regelmatig geconfronteerd met gescheiden gezinnen, waarbij beide ouders nog het wettelijk gezag uitoefenen over hun kinderen.
Soms wordt de thuisbegeleiding opgestart bij vader en moeder, soms wordt de vraag gesteld vanuit één partij. Is het in deze laatste situatie noodzakelijk om toestemming te verkrijgen van de andere partij? Zo ja, dienen we deze actief te verkrijgen door zelf contact op te nemen met deze partij? Of mogen we ervan uitgaan dat, als de ene partij zegt dat dit geen probleem is, dit ook zo is?

 

 

Art. 8 DRM stelt dat de minderjarige het recht heeft om geïnformeerd en vrij in te stemmen met de buitengerechtelijke jeugdhulp of om deze te weigeren.
Het gaat hier wel om een van de 3 specifieke rechten waarvoor vereist is dat de minderjarige bekwaam is.

In het geval van een onbekwame minderjarige zullen de ouders onder toepassing van hun ouderlijk gezag in de plaats van hun kind moeten toestemmen met de jeugdhulp.

 


Het decreet Integrale Jeugdhulp bepaalt daarnaast dat de buitengerechtelijke jeugdhulpverlening alleen kan worden verleend met de instemming van de personen tot wie ze zich richt. Dit betekent dat naast de instemming van de bekwame minderjarige, vaak ook de toestemming van zijn ouders nodig zal zijn vooraleer er buitengerechtelijke hulp kan geboden worden. Alleen wanneer de hulp die de bekwame minderjarige vraagt, zich enkel tot de minderjarige richt, kan hulp geboden worden zonder de toestemming van zijn ouders.

 

Om thuisbegeleiding te kunnen bieden aan een bekwame minderjarige is naast de toestemming van de bekwame minderjarige dus ook de toestemming nodig van de ouder (en eventueel plusouder) in wiens huis de begeleiding wordt aangeboden.

Om thuisbegeleiding te kunnen bieden aan een onbekwame minderjarige, is de toestemming nodig van de ouder (en eventueel plusouder) in wiens huis de begeleiding wordt aangeboden én onder toepassing van het ouderlijk gezag in principe ook van de andere ouder. 
Er bestaat wel een wettelijk vermoeden dat stelt dat derden ter goeder trouw er mogen van uitgaan dat wanneer één ouder een beslissing neemt t.a.v. zijn minderjarige kind dit gebeurde met toestemming van de andere ouder. Dit vermoeden speelt wanneer en zolang de derde geen reden heeft om te twijfelen aan deze toestemming of geen weet heeft van een conflict m.b.t. deze specifieke beslissing.

Wanneer een ouder van een onbekwame minderjarige om thuisbegeleiding vraagt, en jullie geen weet hebben van een conflict op dat vlak tussen ouders, mogen jullie dus op vraag van één ouder thuisbegeleiding opstarten. Jullie moeten niet actief om de toestemming van de andere ouder vragen.

 

Terug naar vragenlijst

 

 

 

Kan een minderjarige van 12 jaar of ouder weigeren om naar een bezoekruimte te gaan, rekening houdend met het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp ?

 

 

Een van de werkingsprincipes van het algemeen welzijnswerk bestaat erin dat de hulp- en dienstverlening door de betrokken personen gevraagd of aanvaard moet zijn (artikel 13, 1°, van het decreet AWW van 8 mei 2009).

Een rechterlijke maatregel waarbij aan een persoon wordt opgelegd om tegen zijn wil deel te nemen aan de hulp- en dienstverlening in het raam van het algemeen welzijnswerk, lijkt moeilijk te verzoenen met dit werkingsprincipe.

 

Er is niet meteen een rechtsregel die een rechter toestaat een minderjarige te verplichten deel te nemen aan de activiteiten van een bezoekruimte.

De hulp- en dienstverlening aan minderjarigen in het raam van een bezoekruimte is dan ook te beschouwen als buitengerechtelijke jeugdhulp in de zin van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp, zijnde jeugdhulp die wordt verstrekt zonder interventie van een rechterlijke beslissing (artikel 2, §1, 7° DRM). Het betreft bijgevolg jeugdhulp die met instemming van de bekwame minderjarige wordt verleend, zonder dwang.

 

De buitengerechtelijke aard van de hulp- en dienstverlening zou ook kunnen worden afgeleid uit enkele bepalingen van het sectorprotocol met betrekking tot de bijkomende taak "begeleiding bij het onderbroken of conflictueuze ouder-kindcontact". Daarin is ondermeer bepaald:

·         dat de werking van de bezoekruimte erop gericht is een kwaliteitsvolle en rechtsgelijke hulp- en dienstverlening uit te bouwen;

·         dat het aanbod van de bezoekruimte onder meer voorziet in ondersteuning en begeleiding van cliënten voor, tijdens en na de bezoeken binnen of buiten de bezoekruimte. Hierbij krijgen de cliënten ruimte om hun eigen verhaal te brengen en kunnen rekenen op begrip en steun. Ze worden geactiveerd om een proces op gang te brengen om verandering te bewerkstelligen;

·         dat de bezoekruimte alle partijen gelijkwaardig benadert via een meerzijdige partijdigheid. De bezoekruimte stelt zich neutraal en onafhankelijk op. Zij kiest geen partij in het conflict en oordeelt niet over de wijze waarop het conflict dient opgelost te worden. De standpunten en de beleving van elke betrokkene wordt gerespecteerd, dus ook het verhaal van de kinderen. Het is niet de taak van de bezoekruimte om een standpunt in te nemen ten opzichte van het conflict of de context.

 

Een gelijkwaardige of rechtsgelijke behandeling van de verschillende partijen zou alleszins veel minder voor de hand liggen mocht één partij ingevolge een rechterlijke beslissing gedwongen zijn om aan de activiteiten van een bezoekruimte deel te nemen.

 

 

Volgens artikel 8 van het DRM  heeft de bekwame minderjarige het recht om geïnformeerd vrij in te stemmen met de buitengerechtelijke jeugdhulp of die hulp te weigeren. De minderjarige van 12 jaar of ouder kan dat recht in principe zelf uitoefenen (artikel 4, §2, van dat decreet).

Als een minderjarige het recht heeft om “geïnformeerd vrij in te stemmen”, heeft hij ook het recht te weten dat hij zijn instemming ook kan weigeren. Ook dit aspect maakt ons inziens deel uit van een geïnformeerde instemming.

 

Ook in de werkingsprincipes die in het voormelde protocol opgenomen zijn, is overigens duidelijk gestipuleerd dat tijdens de intakeprocedure de cliënten alle informatie krijgen omtrent de doelstellingen en de werkwijze van de bezoekruimte. Zoals hierboven al is vermeld, is de werkwijze van een bezoekruimte gestoeld op het principe dat de hulp- en dienstverlening moet gevraagd of aanvaard zijn. Ook op grond van die bepaling uit het sectorprotocol zou een minderjarige er mogen op rekenen dat hij wordt geïnformeerd over het feit dat hij die hulp- en dienstverlening ook kan weigeren.

 

Conclusie

 

Het vonnis waarin voorzien wordt dat het recht op persoonlijk contact van een ouder uitgevoerd dient te worden binnen de werking van de bezoekruimte richt zich naar de ouders van de minderjarige. Moeder of vader zijn verplicht om dit vonnis uit te voeren en hun minderjarige kind naar de bezoekruimte te brengen op de daartoe voorziene data. Aangezien de minderjarige onder het ouderlijk gezag van zijn ouders valt tot hij meerjarig wordt, moet hij zich hiernaar schikken.
Bij de contacten met de bezoekruimte speelt echter het DRM waardoor de bekwame minderjarige niet verplicht kan worden mee te werken aan de buitengerechtelijke jeugdhulp wanneer hij dit niet wilt. Eens aangekomen bij de bezoekruimte, moet de bekwame minderjarige dus niet meewerken wanneer hij dat niet wenst.

 

Terug naar vragenlijst

Wij doen vanuit het CKG vaak begeleidingen bij gescheiden ouders. Bij de opstart van de begeleiding hebben we de gewoonte om ook de andere ouder (de ouder waarbij geen begeleiding zal gedaan worden) te contacteren. We brengen de andere ouder op de hoogte dat er begeleiding is bij hun kind. Nu vroegen wij ons af wat wettelijk verplicht is hieromtrent. Zijn we wettelijk verplicht de andere ouder in te lichten? We hadden onlangs een mama die niet wou dat we de papa op de hoogte brachten van de begeleiding waardoor we graag eens willen luisteren bij jullie wat moet en mag.

 

Volgens het Burgerlijk Wetboek moeten beide ouders in principe instemmen met jeugdhulpverlening aan hun minderjarige, onbekwame kind onder toepassing van hun ouderlijk gezag. Beide ouders hebben dan in principe ook recht op informatie over deze jeugdhulp.
Enkel wanneer het ouderlijke gezag exclusief toegekend werd door de familierechter aan 1 ouder volstaat de instemming van deze ouder. De andere ouder behoudt dan wel het recht op informatie (tenzij hierover uitdrukkelijk anders beslist werd door de rechter).

 

Er bestaat wel een wettelijk vermoeden dat stelt dat derden (vb. hulpverleners) te goeder trouw, er mogen van uitgaan dat, wanneer één ouder instemt, dit gebeurt met instemming van de andere ouder. Omwille van dit wettelijk vermoeden van akkoord van de andere ouder (art. 373 en 374, §1 B.W.) volstaat het akkoord van één van de ouders, zowel wanneer het om een kerngezin gaat als wanneer het om gescheiden ouders gaat. De jeugdhulpverlener kan er dus te goeder trouw van uit gaan dat als één ouder instemt, de andere ouder op de hoogte is van en akkoord gaat met de vraag om jeugdhulpverlening voor het kind of de kinderen. 
Wanneer de hulpverlener echter weet heeft van een conflict tussen beide ouders, of wanneer er ernstige redenen zijn om te twijfelen aan de instemming van beide ouders, bv. omdat de ouders een totaal andere visie hebben op de problematiek en de nodige hulp, heeft men wél de uitdrukkelijke instemming van beide ouders nodig.   

In de praktijk stelt men voor om binnen de IJH volgende uitzondering te maken:


Het gaat om een hulpvraag waarbij het kind niet uit huis wordt geplaatst en er geen impact is op de relatie tussen het kind en de andere ouder.
Men kan hier artikel 6 van het decreet Integrale Jeugdhulp zo interpreteren dat de hulpverlening zich hier niet richt tot die andere ouder. Deze ouder moet in dat geval niet instemmen met deze contextbegeleiding en moet hierover ook niet actief geïnformeerd worden (mag wel!).

De andere ouder behoudt wel zijn recht op informatie. Deze ouder heeft dus recht om te weten dat er jeugdhulp loopt en waarom, wanneer hij er of zij om vraagt. Hulpverleners zullen er bij het doorgeven van informatie desgevallend moeten over waken géén vertrouwelijke informatie door te geven over de andere ouder.

Terug naar vragenlijst

Een 16-jarig meisje klopte bij ons (het JAC) aan voor een gesprek over haar moeilijke thuissituatie. Na enkele gesprekken werd duidelijk dat het meisje best uit huis geplaatst wordt, maar daar wil ze niet van weten. Wiens instemming hebben wij nodig om verdere stappen te kunnen zetten?

 

Aangezien de ondersteuning en dienstverlening van het JAC zich enkel tot minderjarigen richt en weinig ingrijpend is, volstaat hiervoor de instemming van het bekwame meisje.

 

Om residentiële jeugdhulp te kunnen aanbieden, is echter zowel de instemming van de bekwame minderjarige, als van haar ouders als wettelijke vertegenwoordigers nodig. Indien (een van) deze instemmingen ontbreken, kan geen buitengerechtelijke jeugdhulp aangeboden worden. Men kan eventueel proberen om via een bemiddeling toch de nodige instemmingen te bekomen.

 

Wanneer je (de Jac-medewerker) je echter ernstig zorgen maakt over de ontplooiingskansen van het meisje, kan je wel, zonder instemming van het bekwame meisje, het OCJ inschakelen. En wanneer ook het OCJ jeugdhulp noodzakelijk vindt, maar het meisje deze blijft verwerpen, kan de zaak uiteindelijk bij de jeugdrechter belanden die gedwongen, gerechtelijke jeugdhulp kan opleggen (tegen de wil van het bekwame meisje of van haar ouders).

 

 

Terug naar vragenlijst

Ik werk als zelfstandig psychologe en meende altijd dat ik de instemming van beide ouders nodig heb om therapie te kunnen bieden aan minderjarigen. Op een overleg met psychologen vertelde een deelnemer echter dat zij op vraag van een bekwame minderjarige therapie kan bieden zonder dat ze de ouders hierover moet inlichten of om toestemming vragen. Hoe kan dit?

 

Het klopt dat zelfstandig psychologen tot voor kort de instemming moesten hebben van beide ouders om therapie te kunnen bieden aan hun minderjarige kinderen.

Minderjarigen zijn volgens de Belgische wetgeving (meer bepaald het Burgerlijke Wetboek) immers handelingsonbekwaam. Dit betekent dat minderjarigen in principe zelf geen beslissingen kunnen nemen of handelingen kunnen stellen die juridische gevolgen met zich meebrengen. Minderjarigen staan daarom onder het gezag van hun wettelijke vertegenwoordigers (ouders of voogd)die deze beslissingen kunnen nemen voor of over hun minderjarige kinderen.

 

 

Momenteel bestaan echter ook 2 regelgevingen die een belangrijke uitzondering voorzien op de algemene handelingsonbekwaamheid van minderjarigen :

Het Decreet Rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp (DRM) en de Wet Patiëntenrechten (W.P.).

 

I.  Binnen de Integrale Jeugdhulp (bv. CLB, CGG, VK, JAC, BJB, ...) is het Decreet Rechtspositie van de minderjarige in de Integrale Jeugdhulp van toepassing. Dit decreet geeft de bekwame minderjarige het recht om in bepaalde situaties zelfstandig beslissingen te nemen betreffende de hulpverlening. Art. 4 DRM hanteert hierbij het vermoeden dat minderjarigen vanaf 12 jaar bekwaam zijn (daarvan kan gemotiveerd afgeweken worden door de jeugdhulp).

 

II. Binnen de gezondheidszorg stelt art. 12 Wet Patiëntenrechten dat wanneer de minderjarige patiënt tot een redelijke beoordeling van zijn belangen in staat kan worden geacht (door de betrokken beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg), deze zelfstandig zijn patiëntenrechten kan uitoefenen door bv. zelfstandig beslissingen te nemen aangaande zijn gezondheid.

Anders dan in het Decreet rechtspositie van de minderjarige in de integrale jeugdhulp waar minderjarigen vanaf 12 jaar worden vermoed om bekwaam te zijn, voorziet de Wet Patiëntenrechten hiervoor niet in een leeftijdscriterium.

 

Om een persoon juridisch als 'bekwaam' te beschouwen, wordt in de geldende rechtspraktijk aangenomen dat volgende 2 vragen positief moeten beantwoord worden:

1. Weet deze persoon voldoende wat in zijn belang is?

2. Kan deze persoon de gevolgen van zijn beslissingen/acties voldoende inschatten?

 

 

Concreet:

Psychologen die werkzaam zijn binnen de integrale jeugdhulp (bv. bij het CGG) kunnen op basis van art. 4 DRM minderjarigen sinds 2006 als bekwaam beschouwen waardoor deze bekwame minderjarigen in bepaalde situaties zelfstandig over hun therapie kunnen beslissen.

 

Zelfstandig psychologen kunnen zich niet op het DRM beroepen maar sinds 1 september 2016 worden klinisch psychologen wel erkend als beroepsbeoefenaar in de gezondheidszorg waardoor ze onder de toepassing van de Wet Patiëntenrechten vallen. Nu kunnen dus ook zelfstandig klinisch psychologen minderjarigen als bekwaam inschatten waardoor deze bekwame minderjarigen zelfstandig beslissingen kunnen nemen m.b.t. hun gezondheidszorg en meer bepaald zelfstandig kunnen instemmen met therapie.

Terug naar vragenlijst